Toen was het stil

Te bizar

Het overlijden van Bas in 2017 kwam volstrekt onverwachts. Hij had net een diploma behaald, had een baan bij een fijn bedrijf waar ze het helemaal met hem zagen zitten en hij was bezig met het bouwen van zijn eigen tiny house. De toekomst lachte hem tegemoet, zou je zeggen.

Wat precies zijn afwegingen zijn geweest om er toch uit te stappen zullen we nooit weten. Maar dat hij het zwaar had met zichzelf, dat wisten we allemaal. Er waren namelijk wel degelijk jaren van angst en onzekerheid aan vooraf gegaan.

Terugkijkend begon dat allemaal zo rond zijn 10e levensjaar, met een absolute piek – of liever gezegd dieptepunt – toen hij 16 was. Toen begon hij zich suïcidaal te uiten, waarop ik hem, met enorme tegenzin, liet opnemen in de jeugdpsychiatrie. Daar begon hij al vrij snel met blowen, snijden, weglopen en voor de trein staan. Gedachten die eerder alleen nog maar in zijn hoofd zaten, werden opeens in een rap tempo uitgevoerd.

Het was een verschrikkelijk zware tijd, waarin ik opeens moest loslaten wat ik 16 jaar lang had vastgehouden, gekoesterd en liefgehad. Daarna zou niets meer hetzelfde zijn, er was een afstand tussen Bas en mij ontstaan, die niet meer zou worden overbrugd.

We gingen door, zo goed en zo kwaad als dat gaat, na zo’n zware periode. Ik nog thuis met twee ook al bezeerde kinderen, een baan ver weg waar ik geen enkel begrip ontving voor mijn overbelaste gemoed en een tegenstribbelend lijf. Mijn leven was een gevecht geworden, een dagelijkse strijd om niet kopje onder te gaan.

Toen Bas overleed, bleef ik watertrappen. Kopje onder ga ik nog steeds niet, ik weet ook mijn kinderen zo nu en dan nog bij de kladden te vatten, opdat ook zij boven blijven. En verder doen ze dat prima zelf overigens.

En nu zit ik op het punt dat ik het even niet meer weet. Hoe ga ik verder, met een nog immer tegenstribbelend lijf en al die last op mijn gemoed? Had ik gewoon een vaste baan, dan was het misschien wat makkelijker geweest, maar ik moet op zoek naar mogelijkheden om mijn talenten de ruimte te geven, zonder al teveel beperkingen. En daarin ga ik worden begeleid.

‘Haar moet je hebben,’ kreeg ik te horen, ‘zij past heel goed bij jou.’

Dus we maakten kennis, gisteren. We hebben inderdaad best veel gemeen. Kinderen van dezelfde leeftijd, een creatief brein, liefde voor paarden. En nog veel meer.

We praatten over Bas, want hij vormt de aanleiding voor hulpverlening. Ze vroeg door naar zijn school, ze wilde weten hoe het kwam dat ze meende zijn verhaal zo goed te kennen.

Toen opeens sloeg ze haar hand voor haar mond, keek me verschrikt aan en zei: ‘Ik ken Bas.’

Niet begrijpend keek ik haar aan en ze zei: ‘Ik heb hem destijds voor de trein weggehaald.’

Sprakeloos keken we elkaar aan. Ik wist meteen wanneer dat moet zijn geweest, dat was tijdens één van die opnames in de jeugdpsychiatrie. Maar ik wist helemaal niet dat daar nog iemand bij betrokken was geweest, of misschien heb ik dat toen wel geweten, maar is dat weggezakt in de veelheid van herinneringen uit die periode.

‘Ik heb jou ook gezien,’ zei ze voorts, ‘je was op bezoek met twee kinderen en Bas stond voor de deur op jullie te wachten. Hij zag mij ook, we hebben toen nog gezwaaid.’

Ach ja, ik zag hem zo staan. Met een sigaret in de hand, wat meisjes om hem heen. De stoere brigade van het psychiatrisch ziekenhuis. We gingen op bezoek zo vaak we konden.

Ik voelde mijn keel dichtknijpen bij de herinnering en dat werd erger naarmate ze meer vertelde over wat er destijds gebeurd was.

Dat hij daar had gestaan, bij het spoor, fiets in zijn hand. Hij was op weg geweest naar school, maar stond nu naar de treinen te kijken.

Zij was met een vriendin aan het paardrijden en iets in dat beeld van die jongen bij dat spoor trof haar als niet in orde. Dus ze steeg af en liep naar Bas toe. Vroeg hem of het wel goed ging. En hij gaf toe dat hij daar niet goed stond.

Samen, met paarden, brachten ze Bas een stukje op weg naar school, in ieder geval dat hele stuk weg dat naast het spoor lag. Weg van het spoor moest hij en gewoon naar school.

In de tussentijd had ze gebeld met het ziekenhuis, dat ze hem had aangetroffen. Of ze belde met school, dat kan ook. Ik heb ingespannen zitten luisteren, maar ik werd zozeer overspoeld door emoties dat ik niet meer precies weet wat ze vertelde. Toch zie ik de film voor me.

‘Hij liep zwaar,’ vertelde ze, ‘alsof zelfs het lopen hem al te zwaar viel.’ Ach ja, jongen, ik zag het zo voor me. Voelde tranen opwellen. Arm eenzaam kind.

Nadat ik het een beetje had laten bezinken bedankte ik haar dat ze destijds mijn kind redde. De drieënhalf jaar die hij nog heeft geleefd heb ik nodig gehad om verder los te laten. En, het klinkt misschien raar, maar ik ben erg blij dat ik twee jaar geleden het lichaam van mijn kind heb mogen verzorgen – dat zou na een aanrijding met de trein natuurlijk geen optie zijn geweest. Bovendien voelde ik me juist in die jaren zo vreselijk schuldig over alles wat er misging, dat zou ik nooit meer van mijn nek hebben kunnen halen.

‘Ach, hij sprak vol liefde over jou,’ vertelde ze, en opnieuw komen de tranen op, ‘hij had het vooral over een psychiater die er niks van snapte.’ Opnieuw word ik boos op die psychiater-in-opleiding, die geen idee leek te hebben van wat hij aan het doen was en die ook geen enkele poging deed om het wel te gaan begrijpen. Boos op het systeem van jeugdpsychiatrie dat kinderen bijna letterlijk onder die trein schuift, door ze niets anders te bieden dan een systeem, in plaats van gewoon eens te luisteren naar wat die kinderen nodig hebben.

Ik heb nog nooit een hulpverlener omhelsd na een kennismakingsgesprek, maar nu voelde ik die behoefte en zij sprak hem uit. Hoe moet het voor haar zijn, om te horen dat hij het na zoveel jaren toch nog heeft gedaan? Ik begreep van haar dat het hele gebeuren haar nooit heeft losgelaten.

‘Zo’n mooie jongen,’ zei ze, ‘zo lief en intelligent.’ Toen ik haar een foto van hem uit die tijd liet zien, sprongen ook bij haar de tranen in de ogen.

Hoe is dit mogelijk? Het voelt als een cadeautje van Bas, van over het graf heen. Gisteren was hij even hier. En o god, ik mis hem zo.

2 Reacties

  1. Annette

    Lieve Patti, zo herkenbaar, onze jongste zoon, ogenschijnlijk niets aan de hand. De avond voor dat we op vakantie gingen afscheid genomen van Allessandro en Sophie, niet wetende dat we 7 dagen later hals over kop richting Nederland moesten om definitief afscheid te nemen. S’Ohtends nog snel een kus, dag lieve jongen, wij gaan, pas goed op jezelf. Het laatste jaar “voelden we dat er dingen aan de hand waren” maar Allessandro wou/kon er niet meer met ons over praten. Wat missen we onze prachtige zoon, we noemden hem ons cadeautje” zo zorgzaam, liefdevol, zo’n mooi mens. Wat is het moeilijk om onze prachtige kinderen te laten gaan. Liefs Annette

    Antwoord
  2. Patti

    ‘Ons cadeautje’, die komt binnen. Bas was niet gepland, een ongelukje noemden mensen dat. ‘Nee zeg,’ zei ik dan, ‘je noemt een kind toch geen ongelukje. Hij is ons cadeautje.’
    Ik hoop dat jullie nog wat antwoorden hebben mogen krijgen, op de vraag wat er toch met je kind aan de hand was. Ook al krijg je hem er niet mee terug.
    Liefs,
    Patti

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Onverdraagzaam
Onverdraagzaam

Mijn empathie is stuk. Dat dit ook bij rouw zou horen, had ik nooit kunnen bedenken.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Zwaar voor zo’n kleintje
Storm op zee
Onverdraagzaam
Tijd
Eiffeltoren 2004
De Eiffeltoren van Bas
Doelloos
mens boven aan hoge rots
Bang
Onverdraagzaam
Onverdraagzaam

Mijn empathie is stuk. Dat dit ook bij rouw zou horen, had ik nooit kunnen bedenken.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Zwaar voor zo’n kleintje
Storm op zee
Onverdraagzaam
Tijd
Eiffeltoren 2004
De Eiffeltoren van Bas
Doelloos
mens boven aan hoge rots
Bang