Toen was het stil

Een gesprek

Ergens las ik iets over het bespreekbaar maken van suïcide bij mensen die met een doodswens rondlopen.

Daar moest ik over nadenken. Ja, ik denk dat het simpelweg benoemen van de wens, de gedachten bij degene met de wens ietwat kan normaliseren. ‘Jij denkt na over de dood als uitweg, dat doen heel veel mensen, wat kunnen we nu doen om jouw problemen dusdanig aan te pakken dat je verder wilt leven?’ Zodat diegene weet dat het niet gek is en dat hij of zij niet alleen is met die gedachte.

Dat kan. Maar het is een hele stap. Een heel enge ook, alsof het uitspreken van datgene waarvan je weet dat het bij iemand speelt, die persoon zou kunnen aanzetten tot actie.

Een stap die ik dan ook nooit heb gezet, helaas.

Bas’ zelfdestructie en doodwensen speelden naar mijn idee een paar jaar voor zijn dood, in 2014. Hij werd toen ook opgenomen: 16-jarigen die te kennen geven dat ze niet meer willen leven, daar gebeurt meestal wel iets mee.

Maar er werd niet echt over gepraat. In de instelling niet, daar werden hem antidepressiva voorgeschreven en vervolgens kon hij weer naar huis. Maar thuis dus ook niet.

Raar eigenlijk, als ik daar op terugkijk. Dat je zoveel wel bespreekt, maar dat ene allerbelangrijkste dan weer niet. Alsof je het opwekt door erover te beginnen, alsof het toedekken ervan de wens ook doet wegsluimeren.

Één keer begonnen we erover, Bas en ik. Dit was vijf weken voor zijn dood. Maries goede vriend had net – een paar uur nadat ze terug waren gekomen van een fantastisch schoolkamp – zijn leven beëindigd en Bas en ik liepen geschokt door Harderwijk, nadat we Marie bij haar vrienden hadden gebracht om samen te rouwen. Hij kocht een knuffelbeer voor haar, om haar wat troost te bieden en daarna dronken we een biertje op een terras aan het water. Aangeslagen, vooral stil. Eerder die dag hadden we samen gehuild om het bericht en om het verdriet van Marie; had Bas mij en ik hem geknuffeld, zoals we dat al jaren niet meer deden.

Hoe kwamen we er toch op? Ik weet het niet. Was zelf zoals gezegd erg voorzichtig met het aanstippen van dit precaire onderwerp. Bovendien dacht ik dat het voor Bas niet meer actueel was. Nu zei ik: ‘Oma zou het niet hebben overleefd als je het had gedaan.’

‘Jij wel?’, vroeg hij.

Ferm antwoordde ik: ‘Ja hoor, ik wel.’ Ik voegde er snel aan toe: ‘maar ik zou er wel helemaal kapot van zijn.’

Achteraf kan ik me de haren wel uit het hoofd trekken om dat antwoord. Ik had natuurlijk moeten jammeren: ‘Neehee, ik zou het ook niet hebben overleefd en je broertje en zusje ook niet.’

Maar was dat fair geweest? Is dat niet een soort emotionele chantage en is het niet gewoon veel beter om ook hier gewoon eerlijk over te zijn: ja, ik ga kapot van verdriet, maar ik overleef dit dus wel.

Want uiteindelijk was Bas verantwoordelijk voor zijn eigen leven en niet voor dat van mij. En uiteindelijk heb ik wel zo lang mijn best gedaan om hem in leven te houden.

Dat begon al voor zijn geboorte.

Ik zal de bloedige details achterwege laten, maar de geboorte van Bas verliep niet goed. Hij kreeg onvoldoende zuurstof en hij moest eruit. Ik kreeg een ruggenprik, lag klaar voor een keizersnee. Maar de gynaecoloog kwam niet. ‘s Nachts niet want de arts sliep, ‘s ochtends niet want toen had de arts spreekuur en begin van de middag was het niet meer nodig, want toen was Bas eindelijk geboren. Onder begeleiding van een verloskundige die hiermee een 24-uursdienst had gedraaid.

Bas was helemaal wit, werd meteen weggehaald, gereanimeerd en in de couveuse gelegd. Een paar dagen later mocht hij mee naar huis.

Twee maanden later – hij was in de tussentijd uitgegroeid tot de vrolijkste blije baby die je je kunt voorstellen – kreeg hij koorts, hoge koorts. Ik leurde met hem bij maar liefst drie huisartsen – het was natuurlijk weekend, dit soort dingen gebeurt altijd in het weekend – maar ik werd steeds naar huis gestuurd. Totdat ik maar zelf met hem naar het kinderziekenhuis ging, net op tijd. Hij had hersenvliesontsteking. Kindjes van twee maanden met koorts moeten altijd naar het ziekenhuis, maar dat wisten die huisartsen kennelijk niet.

Een jaar later kreeg Bas het rotavirus. ‘Die kleintjes drogen niet zo snel uit hoor,’ zei de huisarts. Ik keek nog eens goed, met het oog van een moeder en met nog wat verpleegkundige kennis erbij, dacht: die kleintjes drogen héél snel uit, stapte in de auto en toog weer zelf naar het ziekenhuis. Waar Bas opnieuw meteen aan een infuus werd gelegd.

Zijn hele kleine-kindertijd was Bas ziek. En toen hij daarvan herstelde – hij is daarna nooit meer ook maar een klein beetje ziek geweest – begon hij geestelijke problemen te krijgen. Ging ik daar hulp bij zoeken. Wat ongeveer net zo verliep als de zorg in zijn babytijd: een moeder die leurt en zorgverleners die blunderen. Niet alleen verkeerde diagnoses en niet-passende behandelingen, maar daar dan ook hardnekkig aan vasthouden, zelfs als kind en moeder beiden aangeven dat het niet goed is.

Net zo lang totdat Bas zorgmijder werd. En ik nam hem dat niet kwalijk, maar tegelijk wilde ik hem natuurlijk wel bij me houden. Hij was lief, zorgzaam, zo getalenteerd, maar ook zo getroebleerd en beschadigd.

Twintig jaar lang heb ik hem in leven weten te houden.

Ik denk dat ik mijn zoon aardig kende. Maar ik zal nooit weten hoe zwaar de strijd van zijn bestaan voor hem is geweest. Het is een onderwerp geweest waar ik voorzichtig omheen praatte.

Heb ik daar spijt van? Ja.

Had ik hem ermee kunnen redden? Nee. Voor zover ik het kan inschatten, waren er heel veel factoren die hebben bijgedragen aan Bas’ keuze, een open en eerlijk gesprek over zoiets intiems als die keuze had daar weinig aan veranderd.

Maar ik ben ervan overtuigd dat het goed is om dat gesprek wel aan te gaan. Omdat het wellicht wat toenadering geeft, omdat je er je eigen gedachten en gevoelens ook in kwijt kunt, omdat de keuze om uit het leven te stappen al zo verschrikkelijk eenzaam moet zijn.

En ik denk dat zo’n gesprek bij al die mensen en kinderen die nog twijfelen een zaadje kan planten van aarzeling. Dat het ze misschien over de streep trekt die aarzeling te gaan bespreken. Omdat je merkt dat bespreken kan. Dat je er niet om wordt veroordeeld. En dat je dan hulp kunt accepteren.

Maar misschien ben ik wel naïef. Als Bas had gezegd ‘mam, ik denk er serieus over om uit het leven te stappen’, had ik alles maar dan ook alles uit de kast getrokken om hem tegen te houden.

Foto: @Marienoa

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Werkende moeder
Werkende moeder

Je kunt nog zo hard vinden dat je moet werken, als het niet gaat, dan gaat het niet. En als het niet gaat, kun je het beter ook maar niet doen.

Chagrijn
Chagrijn

Je kunt denken voorbereid te zijn op rouw, maar het overvalt je steeds op een manier die je niet verwacht.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Roze fietsbel
Werkende moeder
binnenkant paraplu
Chagrijn
vrouw met ballonnen en trap
Verjaard
Dr. Lucy Hone
Resilience
Regenboog blaadjes
Homoseksualiteit in Nuns
Zwaar voor zo’n kleintje
Werkende moeder
Werkende moeder

Je kunt nog zo hard vinden dat je moet werken, als het niet gaat, dan gaat het niet. En als het niet gaat, kun je het beter ook maar niet doen.

Chagrijn
Chagrijn

Je kunt denken voorbereid te zijn op rouw, maar het overvalt je steeds op een manier die je niet verwacht.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Roze fietsbel
Werkende moeder
binnenkant paraplu
Chagrijn
vrouw met ballonnen en trap
Verjaard
Dr. Lucy Hone
Resilience
Regenboog blaadjes
Homoseksualiteit in Nuns
Zwaar voor zo’n kleintje