Toen was het stil

Cookie

In een online groep van rouwende mensen polste ik mijn grote wens: ‘zijn er meer mensen die in een periode van rouw een huisdier aanschaften?’

Ik wilde namelijk zo vreselijk graag weer een hondje.

En dat verwarde mijzelf, aanzien ik jarenlang luidkeels had geroepen:‘nooit meer een hond, een hond hebben als alleenstaande moeder is gekkenwerk!’

Daar was ik al anders over gaan denken en vooral voelen na het overlijden van Bas. Ons hondje Mitzi was toen al aardig op leeftijd en ik hoopte met heel mijn hart dat ze het nog even vol zou houden. Want wat hadden we een steun aan Mitzi. Het liefje dat naar je toe kwam rennen om je met haar hele lijfje te troosten zodra ze opmerkte dat je huilde.

Nou merkte ze dat niet zo heel vaak meer op, want ze was wat dovig en wij hier in huis huilen wat zacht. Maar toch, ik kan nog volschieten bij de herinnering aan dat innig lieve beestje en haar troostkwaliteiten.

Dus ik miste Mitzi, maar ik miste ook dat aspect van Mitzi. En, zoals ik verbaasd merkte, ook het rondscharrelen van een hondje om me heen. Kennelijk heb je pas in de gaten hoezeer je hecht aan een hond in huis als er geen hond meer is.

Opeens zag ik overal hondjes. Wat natuurlijk niet zo moeilijk is. Ook zag ik die prachtige documentaire over hulphonden, ‘Buddy’ en was opnieuw geroerd door de warmte en aandacht die honden kunnen bieden.

Toch was het die documentaire die me verder deed aarzelen. Want een hondje in huis nemen om de leegte in ons bestaan op te vullen, daarmee bedeel je zo’n beestje een behoorlijk zware rol toe.

De mensen in de groep rouwenden waren verdeeld, maar de meesten waren positief: ja, ook zij en hun kinderen hadden veel steun ervaren van hun, al dan niet na het verlies, aangeschafte huisdier.

En ja, ook ik zou blij zijn met een reden om ‘s ochtends mijn bed uit te komen.

Toen nog twijfelde ik.

Wij hebben namelijk twee zeer knuffelbare katten. Heerlijk als er ‘s avonds eentje op schoot komt zitten. Of als je er een tegenkomt op de trap en je krijgt een kopje tegen je neus. Nu in het voorjaar is het even wat minder, nu zijn ze druk met andere zaken, maar dat komt wel weer. Dus, we mogen eigenlijk niet klagen, er wordt hier geknuffeld.

In mijn omgeving was bijna iedereen positief. ‘Jij en Vijf hebben wat blijdschap in huis nodig.’ ‘Je hebt altijd een hond gehad, dat past bij je.’

Maar ja, zij hebben me niet horen mopperen op Mitzi. Die nooit helemaal zindelijk werd, misschien wel doordat ik haar niet als kleine pup had gekregen, of omdat ze te vroeg was gesteriliseerd. Of de hond ervoor, Sasha, aandoenlijk lief maar zo beschadigd door de jeugd die ze niet bij ons doorbracht.

Twee honden die veel meer aandacht hadden verdiend, ware het niet dat ze hun leven doorbrachten in een druk gezin met een (uiteindelijk) alleenstaande, werkende moeder.

Als ik weer een hond nam, zou ik het als jonge pup willen, zodat ik het met alle aandacht zou kunnen opvoeden tot een welgemanierde en zelfverzekerde hond. En dan moest het een kleintje zijn, want de kilometers die Sasha dagelijks moest maken, kon ik haar ook al niet bieden, met mijn onbetrouwbare lijf.

O jee, nu ik de kaders begon te schetsen, werd ik nog wat enthousiaster. Want dit begon te klinken als iets een reële optie.

Mijn eigen woorden ‘nooit meer een hond’ in combinatie met mijn krappe portemonnee hielden me toch nog tegen.

En toen kwam ik bij mijn psycholoog terecht.

Zij liet me zien dat ik misschien gewoon wel goed moet zorgen voor Vijf en mij, door iets te doen wat ons blij maakt. Dat het misschien wel niet klopt, dat ik zo streng voor mezelf ben. Dat dieren bij me horen, altijd al, ook vroeger toen ik geen huisdieren mocht van mijn ouders. Wat was ik mezelf aan het ontzeggen, met al mijn verstandige geredeneer?

Nog diezelfde avond gingen Vijf en ik kijken bij een pup die niet was opgehaald door de nieuwe baasjes en die daardoor al een week extra bij de mama had doorgebracht.

‘Denk erom,’ had ik tegen Vijf gezegd, ‘als deze pup niet helemaal bij ons past, nemen we haar niet mee. Alle pups zijn schattig namelijk.’ En ik wilde perse niet weer met een hondje thuiskomen waar iets mee was, niet nu, nu moesten de omstandigheden optimaal zijn.

Maar we deden de deur open en zagen Cookie daar stoeien met een ander hondje; ze keek ons aan en we wisten allebei: dit is ons nieuwe hondje.

En nu woont ze bij ons. Heb ik alle tijd om haar de opvoeding te geven die ze verdient. Lopen Vijf en ik allebei met wallen rond, want o wat kan zo’n hondendreumes je uit je slaap houden. Ze poept op onhandige plaatsen, ze stinkt, ze kefblaft als de buren in hun eigen tuin gaan zitten.

Maar de blije energie die er heerst is onbetaalbaar. De onbevangenheid, de zachte puppyhaartjes, de blijdschap waarmee je begroet wordt als je terugkomt van de wc, de innige tevredenheid waarmee ze zich tegen je aan nestelt. Het is een soort verliefdheid, licht vergelijkbaar met die zoals je die voor je baby voelt.

Van alle knuffels die ze mocht hebben om mee te slapen, koos ze een hondje, een van de vele knuffels die van Bas waren geweest.

En dan opeens het besef: Bas maakt dit niet meer mee. Zijn hondje is er niet meer en dit hondje zal hij nooit kennen.

We zullen dat nog wel vaker gaan meemaken, veel vaker, vooral de kinderen.

Dat je mensen ontmoet en dieren krijgt, nieuwe vriendschappen sluit en relaties aangaat met mensen die je moet vertellen wie je broer was.

Dat we zouden willen laten zien: kijk Bas, een hondje, je zou haar leuk gevonden hebben want jij hield ook zo van honden. Je zou gek zijn geworden van de onvoorspelbaarheid van haar gedrag, maar ook dat zou wel goed zijn gekomen.

Wij gaan verder en Bas blijft steeds verder achter.

Ik ben moe van al die gevoelens van liefde en blijdschap en gemis door elkaar. En niet te vergeten van doorwaakte nachten en drukke dagen.

Maar ik heb geen enkele twijfel meer: Cookie hoort bij ons. Ze heeft als taak om ons haar te laten knuffelen. Dat doet ze hartstikke goed.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Werkende moeder
Werkende moeder

Je kunt nog zo hard vinden dat je moet werken, als het niet gaat, dan gaat het niet. En als het niet gaat, kun je het beter ook maar niet doen.

Chagrijn
Chagrijn

Je kunt denken voorbereid te zijn op rouw, maar het overvalt je steeds op een manier die je niet verwacht.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Roze fietsbel
Werkende moeder
binnenkant paraplu
Chagrijn
vrouw met ballonnen en trap
Verjaard
Dr. Lucy Hone
Resilience
Regenboog blaadjes
Homoseksualiteit in Nuns
Zwaar voor zo’n kleintje
Werkende moeder
Werkende moeder

Je kunt nog zo hard vinden dat je moet werken, als het niet gaat, dan gaat het niet. En als het niet gaat, kun je het beter ook maar niet doen.

Chagrijn
Chagrijn

Je kunt denken voorbereid te zijn op rouw, maar het overvalt je steeds op een manier die je niet verwacht.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Roze fietsbel
Werkende moeder
binnenkant paraplu
Chagrijn
vrouw met ballonnen en trap
Verjaard
Dr. Lucy Hone
Resilience
Regenboog blaadjes
Homoseksualiteit in Nuns
Zwaar voor zo’n kleintje