Toen was het stil

Achter de voordeur

Een paar weken geleden liet ik hondje Mitzi uit. Een klein rondje, want beide poezen liepen ook mee, het was een zonnige dag en daar houden poezen van.

Twee meisjes op rolschaatsen stopten vlak voor Mitzi. Een van hen vroeg: ’Mogen we het hondje aaien?’

Ja hoor, Mitzi was de vriendelijkheid zelve en werd graag geaaid, ook door onbekende meisjes.

Een van de poezen kwam naderbij, nieuwsgierig naar wat er allemaal aan de hand was. Poes Lola is half Siamees en wat kleiner dan gemiddeld.

‘Ah, wat lief, een klein poesje,’ riep een van de meisjes enthousiast uit. Ze wilde Lola aaien, maar die vond dat toch iets te gortig, zo’n vreemd mens midden op straat, en dook weg in een bosje. Daar zat ook de andere poes, Sumo.

‘Hoort die poes ook bij u?’, er klonk nu enig ontzag in de stem van het meisje. ‘U heeft ook veel dieren zeg.’

‘Nou, nu zijn ze op hoor,’ antwoordde ik. ‘Meer heb ik er niet.’

En ik voelde een zekere trots en warmte door me heen gloeien. Ik laat een compleet roedel uit, allemaal lieve en leuke beesten, wat een rijkdom toch.

Inmiddels is Mitzi er niet meer. En daar heb ik veel moeite mee. Weer een verlies in ons gezin.

Want met de kinderen heb ik dit gevoel ook altijd gehad. Het was een huis vol, vroeger. Met drie kinderen, (toen) twee honden, een kat en twee konijnen.

De oudste hond hebben we een aantal jaren geleden naar de oppas gedaan. Ze had verlatingsangst, waardoor ze het uitbrulde steeds als ik mijn hielen lichtte. Therapie, medicijnen, zelfs de aanschaf van nog een hondje, niks mocht baten.

Deze hond reageerde ook sterk op mijn stemming. Als ik ziek was – en dat was ik best vaak – dan reageerde ze daarop door op ongewenste plaatsen in huis te poepen.

Bas was de andere in huis die op mijn onwelzijn reageerde, maar dan met woedeaanvallen.

Voor deze huisgenoten moest ik sterk en stabiel zijn. Maar dat was ik niet altijd. Lang niet altijd.

Want het was pittig, dit huis vol. Een hond zou ik dan ook nooit in huis hebben gehaald, als alleenstaande werkende moeder. Maar die was er al, van vóór de scheiding.

Ik zou ook niet in een dorp zijn gaan wonen, met relatief weinig eenoudergezinnen. Maar ik woonde er nou eenmaal. En de hond ‘wegdoen’, dat wilde ik mijn kinderen en ook die hond niet aandoen.

Uiteindelijk moest het toch. De buren werden gek, ik werd gek. Want ik probeerde voor iedereen goed te zorgen, maar had handen tekort. De hond moest elke dag een uur wandelen, minimaal. Ik had werkelijk geen idee waar ik dat uur eens vandaan zou halen.

De oppas wilde de hond graag hebben. Tot aan de dood van de hond heb ik voer en dierenartskosten betaald en daarmee kocht ik mijn schuld een beetje af. Want ondanks dat de laatste jaren van de hond bij de oppas de beste waren die ze ooit had gehad, voelde ik me schuldig. Zoals moeders dat plegen te doen.

Bas was een ander verhaal. Wat doe je met een kind dat zo boos wordt? Ik was niet alleen vaak ziek, ik werd ook nog overspannen. En daar werd het jochie alleen maar nog bozer van.

Want voor hem was ik daarmee vreselijk onveilig.

Ik begreep dat wel, maar ik kon mezelf niet opsplitsen: er moest geld verdiend worden, er moest eten op tafel komen, er waren nog meer kinderen, er was een huishouden. Enzovoort. Als ik het ga opsommen, word ik met terugwerkende kracht opnieuw overspannen.

Toch, als je in die tijd had gevraagd of het goed ging, had ik monter geantwoord: ’Ja hoor! Ik kan dit. Vrouwen moeten voor zichzelf kunnen zorgen en ik heb nou eenmaal vier broekjes op te houden.’

Ik was best trots. Ik werkte aan mijn carrière en ik voedde kinderen op. Hoppetee, een beetje feminist doet dat gewoon.

Totdat ik het niet meer volhield. Ik was overal hulp aan het zoeken voor Bas en alle hulp leek te falen. Hij kwam in de puberteit en werd voor mij in mijn eentje onhandelbaar.

En dan merk je dat je het als alleenzorgende ouder dus niet redt.

Want als je met zijn tweeën bent en een van de kinderen heeft het moeilijk, dan zeg je tegen je partner: ‘Zeg Klaas, ga jij eens even met hem praten, hij is boos op mij.’ Dan ga je zelf even een blokje om met de andere kinderen en als je terugkomt is de lucht geklaard.

Nu was ik degene die zich als hulpverlener moest gaan opstellen tegenover mijn eigen kind. Van Bas heb ik geleerd om tot 20 te tellen, zei ik weleens, en dat klopte, want er waren momenten dat ik hem graag was aangevlogen. Niet omdat hij zo’n verkeerd kind was, of omdat ik een rotmoeder ben, maar omdat je in zo’n geval nou eenmaal te dicht op elkaar zit.

En er ging ook al niemand een blokje om met de andere twee, want er was niemand. Ja, ik had mijn moeder dichtbij wonen en dat was erg fijn, maar mijn moeder kwam geen conflicten oplossen.

Uiteindelijk kwamen we in de jeugdpsychiatrie terecht. Wachtlijsten, steeds maar weer wachtlijsten. En dan behandelaren die niet luisterden, niet naar Bas en niet naar mij.

Thuis werd de situatie na een jaar of acht tobben onhoudbaar.

Dit is vooral geen aanklacht tegen de mensen in mijn buurt. Ik weet zeker dat ik bij hen had mogen aankloppen voor hulp, er wonen hier aardige mensen.

Maar als je niet bij elkaar over de vloer komt voor verjaardagen of zelfs kopjes koffie, dan is de stap om in een crisissituatie om hulp te vragen heel erg groot. Dus dat deed ik niet.

Mijn kind heeft het niet overleefd. Maar ik ken tientallen eenoudergezinnen waarbinnen gelijksoortige problemen spelen. Een kind, vaak het oudste, dat de weg kwijtraakt, en een moeder die het in haar eentje niet bolwerkt.

We kunnen trots zijn op wat we hebben bereikt, wij vrouwen die de kost verdienen voor ons en onze kinderen. Maar er gaat iets fundamenteel mis als we daarbij kinderen kwijtraken. Dat is niet ons aan te rekenen, tenslotte vechten we als leeuwinnen voor het welzijn van ons kroost.

Geloof me, ik weet wat ik allemaal fout heb gedaan en geloof me, ik had het graag anders gedaan.

Daarnaast is er echter een maatschappij die is doorgeslagen in haar individualisering. Waarin gezinnen wonen achter hun eigen gesloten voordeur. Waar is die hele village to raise a child gebleven?

Ik loop helemaal geen rondjes meer met het roedel, sinds het hondje dood is. Mijn roedel wordt steeds kleiner. Gloeien van trots doe ik nog steeds, maar het besef groeit dat dit wat ons overkwam weleens een maatschappelijk probleem zou kunnen zijn.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tijd
Tijd

Het lijkt een eeuw geleden dat Bas nog bij ons was. Tegelijk is het alsof hij ieder moment de deur binnen kan wandelen.

De Eiffeltoren van Bas
De Eiffeltoren van Bas

De uitvaart letterlijk terugkijken en opnieuw beseffen wat je nu eigenlijk mist.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Tijd
Eiffeltoren 2004
De Eiffeltoren van Bas
Doelloos
mens boven aan hoge rots
Bang
zeilboot
Positiviteitsdenken
meisje en hond op kleed
Rouwmoe
Tijd
Tijd

Het lijkt een eeuw geleden dat Bas nog bij ons was. Tegelijk is het alsof hij ieder moment de deur binnen kan wandelen.

De Eiffeltoren van Bas
De Eiffeltoren van Bas

De uitvaart letterlijk terugkijken en opnieuw beseffen wat je nu eigenlijk mist.

Blogs

  • Pattiblog
  • Gastblog
Tijd
Eiffeltoren 2004
De Eiffeltoren van Bas
Doelloos
mens boven aan hoge rots
Bang
zeilboot
Positiviteitsdenken
meisje en hond op kleed
Rouwmoe